085-4865262 (dagelijks 8.00u - 22.00u)

In de uitspraak van de rechtbank Gelderland, van 30 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8257 geeft de rechtbank een uitgebreide uiteenzetting van het beoordleingskader bij een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 591a Sv. voor de kosten van rechtsbijstand.

Bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat is toegestaan

De procedure van artikel 591a Wetboek van Strafvordering betreft een raadkamerprocedure waarop de artikelen 21 tot en met 25 Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn. Ingevolge art. 23, derde lid, Wetboek van Strafvordering kunnen procespartijen zich slechts 'laten bijstaan' door een raadsman of advocaat. Een met artikel 279 Sv. (de uitdrukkelijk gemachtigde advocaat) overeenkomstige regeling kent de raadkamerprocedure niet.
In zijn beschikking van 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1633 (herhaald op 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7749), heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag door wie een procesdeelnemer zich bij de behandeling in raadkamer kan doen bijstaan of vertegenwoordigen geoordeeld dat een redelijke, aan de eisen van een goede procesorde beantwoordende en met het stelsel van de wet verenigbare wetstoepassing meebrengt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat in raadkamerprocedures de procesdeelnemer die bij de behandeling door de raadkamer niet is verschenen, zich aldaar kan laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat mits deze verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, onverminderd de bevoegdheid van de raadkamer te bevelen dat [de procesdeelnemer] in persoon zal verschijnen in geval zij het wenselijk acht dat hij bij de behandeling aanwezig is. Op het uitgangspunt dat een procesdeelnemer zich door een advocaat kan laten vertegenwoordigen, zijn uitzonderingen denkbaar.
De raadkamer overweegt dat de advocaat heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door verzoeker om deze te vertegenwoordigen. Nu de raadkamer geen aanleiding ziet om een uitzondering op voormeld uitgangspunt te maken, zal de raadkamer de advocaat beschouwen als vertegenwoordiger van verzoeker. Hetgeen de advocaat heeft verklaard, heeft dan ook te gelden als gedaan door verzoeker.

Het beoordelingskader van artikel 591a Sv. in het algemeen

Artikel 591a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering biedt - kort weergegeven - de mogelijkheid een vergoeding aan de gewezen verdachte toe te kennen voor de kosten die deze heeft gemaakt wegens werkzaamheden van een raadsman (M/V), indien 'de zaak' is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel dan wel toepassing van artikel 9a Sr., ongeacht de fase van het strafproces op het moment van eindiging.
Ingevolge artikel 591a, vierde lid, juncto artikel 90 Wetboek van Strafvordering, is daarbij beslissend of in het concrete geval voor toekenning van zo'n vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn, bij de beoordeling waarvan de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval en de levensomstandigheden van de gewezen verdachte (art. 90, tweede lid Sv). Bij deze beoordeling gaat het niet om een eventuele onrechtmatigheid zijdens de overheid, maar om het billijkheidsoordeel.
Daarbij kan ook worden betrokken de vraag of - en zo ja, in hoeverre - de gewezen verdachte het maken van kosten voor een raadsman aan zichzelf te wijten heeft, derhalve of sprake is van - in de terminologie van de wetgever van 1926 - "aan zijne eigen houding te wijten", dan wel - in de terminologie van de wetgever van 1972 - dat "op iemand door omstandigheden, buiten hem zelf gelegen, zonder dat hem enige schuld treft, de verdenking is gevallen" (vgl. onder meer: Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2756).
Onder het begrip 'de zaak' moet worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding (in de zin van artikel 258 Sv.) tegen de gewezen verdachte betrekking heeft. Kenmerkend voor 'de zaak' is derhalve dat deze door een dagvaarding aanhangig is gemaakt. Dit kan dus ook betrekking hebben op verschillende feiten, ongeacht of daartussen onderling verband bestaat.
Nu vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ertoe heeft geleid dat artikel 591a Sv. ook van toepassing kan zijn op beëindiging van 'de zaak' door een sepotbeslissing door het openbaar ministerie, zal bij de beoordeling van de definitie 'zaak' in dat geval in beginsel moeten worden uitgegaan van het gehele feitencomplex waarop het voorbereidend onderzoek (in de zin van artikel 132 Sv.) ten tijde van het nemen van de sepotbeslissing is gericht. Dit geldt ook indien het voorbereidend onderzoek zich heeft gericht op verschillende strafbare feiten.

Grond van redelijkheid en billijkheid; Kosten raadsman en billijkheid van toerekening aan de gewezen verdachte in het algemeen

Het voornoemde billijkheidsoordeel betekent dat het onderzoek van de rechter primair is gericht op de gedragingen van en omstandigheden betreffende de gewezen verdachte. Daarbij mag ook worden gelet op het feitencomplex dat aan de vervolging ten grondslag lag. Immers, beslissend is of het in het concrete geval billijk is een vergoeding aan de gewezen verdachte.
De vraag in hoeverre de declaratie van de raadsman op zichzelf billijk is te achten, is dan ook in de procedure van artikel 591a Sv. doorgaans van secondair belang. Het onderzoek in raadkamer pleegt beperkt te blijven tot een marginale toetsing van de vraag of de gedecla-reerde werkzaamheden in redelijkheid van belang zijn geweest voor de rechtsbijstand van de gewezen verdachte in het kader van 'de zaak'.
Voor de beoordeling van de vraag in hoeverre vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in aanmerking komt, dienen deze kosten vanzelfsprekend wel steeds te worden onderbouwd met ten minste een einddeclaratie en een urenspecificatie van de raadsman (vgl. Hof Arnhem 18-12-2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BC7395, alsmede Hof Den Bosch 5-10-2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5774).
Deze declaratie en urenspecificatie dienen om de rechter inzicht te geven in aard en doel van de door de raadsman verrichte juridisch relevante werkzaamheden. Die werkzaamheden komen immers slechts voor vergoeding in aanmerking indien deze betrekking hebben op 'de zaak', zoals hiervoor omschreven. Zo zullen bijvoorbeeld kosten, gemaakt in het kader van een arbeidsrechtelijke nasleep van de strafrechtelijke verdenking, niet zonder meer in aanmerking komen voor vergoeding krachtens artikel 591a Wetboek van Strafvordering.
Bij een niet-billijke declaratie valt te denken aan evident bovenmatige declaraties, zoals bijvoorbeeld vele uren "dossierstudie" in een klein en overzichtelijk dossier. Een vergelijk-bare discrepantie kan ontstaan indien tegen een hoog specialistentarief wordt gedeclareerd en tegelijkertijd vele uren zijn besteed aan "jurisprudentieonderzoek".

Ook is denkbaar dat een op zichzelf juiste en billijke declaratie, desondanks, buiten vergoeding krachtens artikel 591a Sv. blijft. Daarbij kan - behalve aan een voorbeeld zoals de arbeidsrechtelijke nasleep, hierboven - worden gedacht aan gedeclareerde uren die de raadsman heeft besteed aan de zorg voor bijvoorbeeld het achterblijvende gezin van een gedetineerde cliënt. Hetzelfde geldt voor de declaratie van "overleg met cliënt" wegens het voeren van 'coachende gesprekken' met de gewezen verdachte, welke gesprekken evenwel niet van belang waren voor 'de zaak'.
Verder dienen de urenspecificatie en declaratie van de raadsman inzicht te geven in de vraag ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht. Immers, het is de gewezen verdachte die verzoekt om vergoeding en jegens wie de rechter het billijkheidscriterium moet toepassen. Deze kwestie is in elk geval steeds aan de orde indien een raadsman voor meer dan één verdachte in dezelfde zaak is opgetreden. Meer in het bijzonder dient de rechter zich hieromtrent zeer kritisch op te stellen indien weliswaar de gewezen verdachte niet is veroordeeld tot straf of maatregel, maar de medeverdachte(n) wel. Het kan immers niet zo zijn dat de kosten van rechtsbijstand voor een veroordeelde - die immers zelf geen aanspraak kan maken op de vergoedingsregeling van artikel 591a Sv. - worden afgewenteld op de Staat door de werkzaamheden ten behoeve van die veroordeelde bewust of onbewust op te nemen in de urenspecificatie en declaratie van de gewezen verdachte.

Voorts is in het kader van voornoemd billijkheidsoordeel van belang dat helderheid ontstaat over de vraag welke schade daadwerkelijk voor de gewezen verdachte is ontstaan door de inzet van de raadsman. Zo sluit artikel 44a (juncto de artikelen 32 en 33) van de Wet op de rechtsbijstand, bijvoorbeeld, vergoeding krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering uit, indien in een eerder stadium een toevoeging door de Raad voor de rechtsbijstand is afgegeven (vgl. in dit verband ook Hoge Raad 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4098). Krachtens artikel 44, tweede lid, Wet op de rechtsbijstand is zelfs de eigen bijdrage niet verschuldigd, indien een zaak eindigt zonder de toepassing van een straf of maatregel. In dat geval dient de rechtsbijstandverlener de eigen bijdrage te restitueren aan de gewezen verdachte, tenzij deze de eigen bijdrage nog niet heeft voldaan.

In het verlengde hiervan zijn diverse andere situaties voorstelbaar waarin het billijkheids-oordeel leidt tot uitsluiting van een vergoeding krachtens artikel 591a Sv. Te denken valt aan situaties waarin schadevergoeding plaatsvindt uit een andere bron, zoals bijvoorbeeld:
 een (rechtsbijstand-)verzekering;
 door een wettelijke vergoedingsregeling, zoals de ' Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie ';
 ten gevolge van een civielrechtelijke veroordeling tot schadevergoeding wegens het doen van een valse aangifte;
 door de bereidheid van een derde om - ten gunste van de gewezen verdachte - de kosten van de raadsman te voldoen.
Ook valt te denken aan de situatie dat vergoeding van de rechtsbijstandskosten niet billijk is voor zover (gedeeltelijk) verrekening mogelijk is, bijvoorbeeld de verrekening van de BTW door een ondernemer (veelal een betrokken rechtspersoon).
Ten slotte mag er op worden vertrouwd dat, ook bij de declaratie, de beroeps- en gedragsregels van de eigen beroepsgroep in acht zijn genomen.